Één.
Vanuit mijn ooghoek zag ik haar aan komen lopen met die soepele tred. Lichtvoetig raakte ze de stenen aan, alsof ze bang was ze te beschadigen. Haar sneakers kleurden niet goed met de jeans waarin ze rondliep en ook het rode shirtje dat ze droeg vormde een enigszins vreemd contrast met de rest van haar kledij. Het gaf niet. Mijn ogen gleden langzaam omhoog, naar haar gezicht. Een smal, maar volmaakt gezicht, met wat kleine puistjes. Het maakte haar niet lelijker, nee het vervolmaakte haar. Twee pareltjes lagen in haar gezicht verborgen en het was niet moeilijk om te verdrinken in haar blik. Het sluikse haar viel onopvallend langs haar gezicht, maar gaf het meisje net dat beetje wat ze nodig had. Haar neus stak een beetje uit en paste niet bij de rest van het gezicht, maar dat gaf niet. Imperfecte perfectie.
Natuurlijk durfde ik haar niet aan te spreken. Met enige moeite hield ik mijn kaken op elkaar geklemd, om maar niet in het o zó hatelijke aangapen te vervallen. Mijn hart ging tekeer als een junk die net zijn shot kreeg en alles wat ik kon doen was staren. De twee pareltjes keken mijn kant op. Nog voordat ik weg kon kijken en het oogcontact op toeval kon laten berusten hoorde ik haar stem al de stilte in de ijle lucht doorbreken. ‘Is er iets?’ vroeg het imperfecte perfecte meisje.
Ik had natuurlijk nooit zo moeten antwoorden, realiseerde ik mij later toen zij zich woedend omdraaide en wegbeende naar haar andere vrienden. Zelf stond ik een beetje verward op en met mijn schoudertas aan mijn hand sjokte ik moedeloos verder. Een stukje verder ging ik op een vervallen bankje zitten en analyseerde ik wat er was gebeurd.
Mensen die mij kennen zeggen wel eens dat ik het hart op de tong heb liggen. Het is waar. Soms, in bepaalde situaties, flap ik er meteen uit wat ik denk. Mijn hersenen hebben de vreemde neigingen om juist op de verkeerde momenten gedachten en uitspraken door elkaar te mixen. Natuurlijk, ik vond haar een lekker wijf, maar ergens had ik graag controle over de situatie gehouden. Haar klap kwam hard aan, maar was terecht. Ik had mijn gedachten omgezet in woorden om daarna geschrokken achteruit te deinzen. Zoveel brutaliteit had ik zelfs van mezelf niet verwacht. Zij schrok klaarblijkelijk ook en sloeg met een ongekende agressiviteit met haar mooie, platte hand in mijn gezicht. Ik kon het haar niet kwalijk nemen. Nee, ik werd alleen nog maar meer verliefd op haar. Temperament. Kracht. Zij had het allemaal. Een zucht kon ik niet onderdrukken. Ik had haar naam moeten vragen. De regen deed me even helemaal niets.
Vanaf dat moment had ik geen moment gedacht een tweede kans te krijgen. De regen leek mijn herinnering aan haar te hebben uitgewist en de weken daarna deed ik wat ik altijd al had gedaan.
Ik heb het altijd goed met iedereen kunnen vinden. Mijn vriendenkring was groot, maar kende weinig diepgang. Praten deed ik veel, maar zeggen deed ik weinig. Van mijn vrienden wist ik niet zoveel; ja, dat ze het Nederlandse weer haatten of dat school wel erg zwaar was. Het zijn niet de dingen die ik wil weten. Ik heb altijd geprobeerd om meer echte gesprekken met mensen te voeren. En daar ligt mijn zwakte. Vroeger liet ik teveel van mezelf zien, mensen wisten in een oogopslag alles van mijn gevoelens. Ze maakten er misbruik van. Hoe dichterbij ze bij mij kwamen, hoe minder interessant ik voor ze was. Ik trok er lering uit. Langzaam maar zeker werd er een muur opgebouwd, een muur van bakstenen met een hoop cement ertussen. Het cement werd hard. De muur was sterk. Soms sloeg iemand een klein stukje uit de muur en was er even een glimp van mij op te vangen. Het duurde nooit lang. Mijn ziel bleef cement aanvoeren en mijn verstand legde de bakstenen erop. Het gaf een gevoel van macht. Totdat ik haar langs zag lopen. Mensen zeggen wel eens dat er zoiets bestaat als liefde op het eerste gezicht. Ik geloof daar niet in. Het was haar uitstraling die het hem deed. Vanaf het moment dat ik haar zag was ik de verliefdheid voorbij, het was pure liefde.
Pure liefde wat iets wat ik in die periode zocht, maar thuis zeker niet kon vinden. Mijn vader zat in de knoop met zichzelf en verloor zo ongeveer het enige wat hij nog had; zelfrespect. Hij verachtte zichzelf, verachtte de hele wereld en verwaarloosde zo ons gezin. Het was een potige vent, die diepe groeven in zijn gezicht had. Zijn gezicht zag er verbitterd uit en hoewel hij pas midden veertig was, leek hij veel ouder. Hij had problemen in zijn jeugd gehad en leek deze problemen nu te projecteren op ons gezin. Mijn vader was geworden wat hij zelf zo verachtte. De gezelligheid in het gezin hing af van zijn humeur. Als deze goed was, viel er nog aardig te leven. Sloeg zijn bui echter om, dan hing er een zwarte wolk boven het gezin. De spanning was om te snijden en elk woord leek dan teveel gezegd. Ieder vluchtte naar zijn eigen kamer, zocht zijn toevlucht op de computer of in boeken en leefde totaal langs elkaar heen. De buien werden steeds regelmatiger en op den duur sprak niemand meer met elkaar. Er heerste één groot stilzwijgen.
Ik zag mijn moeder eronder lijden. De eens zo levenslustige vrouw, liep nu vermoeid door het huis rond en probeerde het huishouden nog enigszins te bolwerken. Haar eens zo knappe gezicht was nu doorspekt met verdriet en praten deed ze allang niet meer. Ze leefde op de automatische piloot. Stipt zes uur was het eten opgediend en precies om acht uur stond de koffie klaar. Iedereen dronk koffie, maar er werd niets gezegd. Papa beheerste ons leven.
Een hele tijd zocht ik mijn heil in de boeken. Ik las veel. Ik las over Israël, over familie verdriet, ik las over van alles en nog wat. De boeken deden mij verdrinken in een wereld waar ik geen weet van had. Het verdriet in de boeken deed me mijn verdriet vergeten. Het zorgde voor een schijnwereld, waar ik me steeds vaker in terugtrok. Dat was ook wel nodig, want mijn vader begon steeds meer mijn leven te beheersen. Waar hij eerst nog alleen op de benedenverdieping heerste als een tiran begon hij ook te pas en te onpas mijn kamer binnen te vallen en in zijn bui van razernij sloeg hij me bont en blauw. Voor hem luchtte het op. Bij mij kraste het, krast het nog steeds in het diepste van mijn ziel. Zelfs in mijn eigen kamer was ik niet meer veilig. Zijn buien van razernij werden steeds heftiger. Hij was ontslagen op zijn werk en leefde nu de hele dag door in huis. Hij moest zijn energie kwijt. Mijn moeder probeerde hem te weerstaan, maar wist na een paar dagen al dat het zinloos was. Zijn handen hadden haar dat pijnlijk duidelijk gemaakt. Ook ik werd steeds vaker het slachtoffer van zijn geweld. Als enigs kind moest hij op iemand zijn woede botvieren. Ik had pijn, maar had ook medelijden met hem. Hij snikte van verdriet als hij me sloeg en wilde het niet, maar het leek alsof een duivels iets bezit van zijn lichaam had genomen. Hij móest wel. Het hechte gezin dat we ooit waren viel uiteen.
’s Nachts probeerde ik mijn huiswerk te maken, als hij sliep. Alleen dan was ik even alleen en alleen dan kon ik doen en laten wat ik wilde. Ik had geluk dat ik op zolder sliep en hij een vaste slaper was. Ik leefde in de nacht. Overdag waren de blauwe plekken. Overdag was hij overal. Overdag, was een hel.
Toen sloeg hij me weer. Het was zoals op alle andere dagen en hij stormde mijn kamer binnen. Ik riep ‘nee!’ maar het was al te laat. Zijn grote vuisten raakten mij overal. Snikkend bleef ik achter in een hoekje van mijn kamer. Ik had pijn in mijn hele lichaam. Mijn hersenen draaiden overuren. ‘Ik moet hier weg, het is hier niet meer goed.’ Op de één of andere manier wist ik mij door middel van de adrenaline die door mijn aderen pompte omhoog te werken en ik strompelde het huis uit. De straat was nog nooit zo lang. Ik voelde me alsof ik geen stap meer kon zetten, maar de gedachte aan mijn vader stuwde mijn benen automatisch voort. Amper 300 meter verder bereikte ik het park. Mijn hoofd was beginnen te bloeden, door de klappen die hij had uitgedeeld. Ik zeeg neer op een bankje. Voor mijn gevoel zat ik daar uren, maar dat bleek niet zo te zijn. Ik had geen gedachten en zat in een soort trance, waar je zelfs geen pijn meer kent. Het bloed kwam op mijn kleren terecht, ik liet het gaan. Totdat er iemand op mijn schouder tikte.
Een klein jongetje sprak me aan. Je kent het wel, zo’n jongetje die een veel te grote lolly vasthoudt en deze aan zijn kleren afsmeert. Zo’n jongetje met een iets te grote bek en een pet die hij achterstevoren heeft opgezet. Zo’n jongetje dat je wel kunt slaan, maar ook wel iets vertederends heeft. “Wat zit jij hier nou zielig te doen”, sprak het mormel. Toen zag hij het bloed. “O joow, jij bloedt!” Opeens was ik veranderd van zielig hoopje tot stoere jongen die een hoop had meegemaakt. “Hoe kom je daaraan?” Ik zei dat ik was gevallen. Het jongetje, amper 8 jaar oud, begon een verhaal over die keer toen hij was gevallen van de skatebaan en hij een bloedlip had. Pijn dat het had gedaan! Hij trok een grimas alsof hij het net weer had meegemaakt. Ik vroeg hoe hij met die val was omgegaan. “Nou”, luidde zijn antwoord,”de keer erna had ik bescherming om.” Op dat moment kwam zijn moeder aanlopen. Een grote kopie van het kind. Het was een arrogante Haagse sjonnie die zichzelf heel wat vond. “Harry, kom eens hier! We moeten weg.” Het kind zei me nog gedag, maar ik reageerde niet echt.
Nadat hij weg was begon ik boos op mezelf te worden. Het jongetje had me in een paar minuten meer geleerd dan ik mezelf had geleerd in al die jaren. Hij had gelijk. Als je valt moet je bescherming gaan dragen. Ik moest bescherming gaan dragen tegen mijn vader. Ik, als 16-jarige jongen, wist wel dat uit huis weggaan niet de oplossing was. Nee, ik moest in huis de oplossing zoeken. Ik besloot mijn vader zoveel mogelijk te ontlopen. Het bleek één van de betere beslissingen die ik had gedaan.
Het ontlopen van mijn vader behelste veel aspecten. Ten eerste zou ik zo vaak mogelijk buiten zijn, in het park mijn huiswerk makend of voetballend met mijn vrienden. Mijn thuis bestond uit een bed en drie maal daags een maaltijd. Mijn vader sloeg me nog steeds wel, maar ik was minder thuis en dus had hij minder de kans om te slaan. En als hij me sloeg koppelde ik mijn gedachten los van mijn fysiek. Ik werd er steeds beter in, de pijn voelde ik steeds minder. Een ander aspect van het ontlopen van mijn vader was op school. Ik bleef steeds langer op school en steeds vaker. Na verloop van tijd was ik bijna onderdeel van het meubilair. En daar op school, is waar het allemaal begon.