Gepost door: affection | november 17, 2008

Tu me manques. Ik mis je. Maar wat mis ik? Ik ken jou niet eens, ik moet jou nog leren kennen, maar nog voordat ik je ooit gesproken heb en dan bedoel ik écht gesproken, mis ik je. Ik zie ons zo voor ons, december, de sneeuw, het diner, de gezelligheid die zich in geen enkele andere taal laat vertalen en ik zie ons, samen. Maar ik ken je niet.

Ik mis je. Nog voordat ik je ooit echt goed in de ogen heb aangekeken, weet ik dat wanneer ik dat wel doe ik je nog meer ga missen. Jij bent jij, en juist omdat ik nog niet weet wie jij bent, kan ik eromheen denken, verhalen bedenken, jij en ik, en dan die twee woorden verbinden door het samen zijn. Ik denk aan het moment ’s avonds net na het eten, waar iedereen even in zichzelf lijkt te keren, waar het gemakkelijk is om overmand te worden door een zweem van depressiviteit, en ik denk aan het feit dat ik je juist dan mis, als ik ons voor je zie zo net na het eten. Ik zie dan hoe je me zou op bellen, terwijl ik nog nooit een telefoongesprek met je gevoerd hebt, ik hoor dan hoe je zou klinken, ik voel wat je zou zeggen en ik zou weten dat het goed was.

Ik mis je. Meer dan ik iemand ooit zal kunnen missen. En ik ken je niet.

Misschien moeten we elkaar leren kennen. De zeepbel uit elkaar doen spatten, het met alcohol wegdrinken, het verdriet, de pijn, het kortstondige geluk en het onvermijdelijke afscheid. Één moment van geluk verstoord door het vooruitzicht van het ongeluk. Ongeluk bestaat alleen omdat er zoiets als geluk is, dus als ik in mijn geluk zelfs dat geluk wegneem zou ongeluk niet moeten bestaan. En toch, in al mijn geluk en ongeluk, mis ik je en wil ik je niet leren kennen.

Ik wil over je denken, ik wil met je praten, ik wil naast je lopen en je toelachen omdat je bijna over je eigen veters struikelt. Soms wil ik met je leven, maar dan bedenk ik me dat ik nooit met je kan leven omdat er dan twee levens zouden zijn. Ik zou niet met je leven, ik zou je leven. Ik mis je.
Maar wie ben je? Wie mis ik? Waar ben ik naar op zoek?

Ik mis je.
Ik mis jou.
Tu me manques.
Manques, gemankeerd. Ik kom tekort.
En dus mis ik. Ik mis. Ik schiet met losse flodders en ik mis jou.

Gepost door: affection | september 21, 2008

Alles komt in cirkels,
Draait door en gaat steeds rond
soms een week,
soms een dag,
alsof het niet bestond

Alles draait in cirkels,
En dan gaat het weer eens goed,
Uit de cirkel,
In de vrijheid,
Alsof het dan zo moet

Alles gaat in cirkels,
Ze overlappen zelfs elkaar,
De ene nog niet uit
Nog amper bijgekomen
Of de ander staat al klaar.

Gepost door: affection | juni 23, 2008

“Die speelt een puike wedstrijd,”

“Ja die dekselse spits speelt een goede partij”
“Die actie had hij prachtig voorbereid”
“Dat deed hij er zo maar even bij”

“Komt dat schot”
“Is dit mooi?”
Jensen van de buis,

nu Evert ten Napel nog.

Gepost door: affection | april 20, 2008

Johnny

Opgevouwen in zijn koffer
Ligt de lange pass
Het bloedend hart ernaast

Nee hij is geen Maldini

Adios Ajax
Adios fans
Adios laatste linie

 

huisdichter cornelis ©

Gepost door: affection | april 6, 2008

even tussendoor

 

A: We wachten. Ja, we wachten. We zitten, we kijken, we ruiken, we zien, maar bovenal wachten we. Waarop zul je vragen? Het einde. Der tijden? Ach nee, als er iets oneindig is, is het wel het tijdelijke, als er iets permanent is, is het wel het relatieve. Wij wachten. En doen niets.

B: Waarom ben ik bij je?

A: Je hield van me.

B: Nu niet meer dan?

A: Lijkt me onverstandig om van mij te houden.

B: Het leven is een aaneenschakeling van foute keuzes.
A: Wij waren geen keuze.

B: Geloof jij in het noodlot dan?
A: Nee.
B: In de liefde?
A: Nee.
B: Waar in dan wel?
A: Wij wachten. En doen niets.
B: Valt daarin te geloven?
A: Het is zo.
B: Het zij zo.
A en B: Wij wachten.

 

(Ze zitten stil kijken naar buiten bewegen hun hoofd niet)

 

B: Wacht hij ook?
A: Wie?
B: Die vogel daar op die tak.
A: Is het een hij?
B: Mag ik daar van uit gaan?
A: Natuurlijk.
B: Maar wacht hij?
A: Nee, hij beweegt, ondanks zijn stilstand. Hij beweegt, hij voelt, hij leeft.
B: Wat maakt hem beter dan ons? Wij hebben meer capaciteiten. Wij kunnen communiceren! Wat is ons gebrek!
A: We denken na.

B: Dat is geen fout.
A: Maar ook geen keuze.
B: Wat wil je daar nu weer mee zeggen!

A: Ik verkies dommer te zijn dan die vogel en dus rijker. Ik verkies kleiner te zijn en dus groter. Ik verkies eerder te sterven en dus langer te leven. Maar ik ben niet. Ik denk dus ik kies niet.

B: Je slaat wartaal uit.
A: Dat denk je.

 

 (C komt aanlopen, gaat zitten) 

C: Ik leef. Ja, ik leef. Ik zit, ik kijk, ik ruik, ik zie maar bovenal leef. Waarom leef ik? Door het einde. Der tijden?  Ach nee, als er iets oneindig is , is het wel het tijdelijke, als er iets permanent is, is het wel het relatieve. Ik leef. En ik doe.

A: Jij sterft.

C: Gaat het leven daar niet om?
A: Om sterven? Lijkt me vrij ironisch.
C: Ik hoorde je net, waar wacht je precies op?
B: Hij wacht (mystieke stem)
A: Ik wacht.
C: Verspilde moeite.
A: Wat weet jij daarvan? (boos)
C: Ik heb ook gewacht. Net als jij. Ik wilde kleiner zijn en groter, ik wilde levendiger zijn en dus doder ik wilde zelfs rijker zijn dus armer. Ik wilde een dier zijn en dus een beest. Maar ik werd steeds meer mezelf.

A: Ben je jezelf?
C: Gelukkig niet meer.
A: Ben ik mezelf?
C: Als je wacht wordt je het vanzelf. Wat verwacht je van het leven?
A: De dood.
B: Ja. (doet hem overdreven na). De doooood!

C: Je bent al dood.
A: Waarom merk ik het dan niet?
C: Je leeft toch niet, dat zeg je zelf. Dan ben je toch dood?
A: Hooguit in coma.
C: Ik wacht ook, maar ik leef.
B: Wachten en leven gaat niet samen. Dat zegt hij altijd (wijst naar A)
C: Wachten is leven. Wachten op de dood, wachten op jezelf, misschien zelfs wachten op Godot.
A: En elkaar dan? Wat is er gebeurd met de liefde! Met de hoop! Waarom geloof ik niet meer, wil ik een vogel zijn, wil ik niet dood, maar ook niet leven. Wat gebeurt er met me? Ben ik mezelf, ben ik een ander? Wacht ik of veracht ik. Bevrijd me. Bevrijd me.

C: Het wachten werkt beklemmend.
B: Ja en ik ben er mooi klaar mee. Wachten. Ik ga leven, de wereld in.

A: Wat wil je doen daarbuiten? Je hebt niemand behalve mij.
C: Hij omarmt het leven, is dat geen kameraadschap genoeg?
A: Een vriend die altijd groter zal zijn dan jij kunt bevatten kan geen vriend zijn. Iemand die als hij je verlaat je in de afgrond stort kan je onmogelijk een vriend noemen. Ik wacht. Ik wacht op vriendschap.
C: Aha. We zijn eruit! Dus daar wacht je op. Maar heb je hem niet al? (wijst naar B)

B: Mij vervelen met zijn praatjes? Dat noem ik geen vriendschap!
A: Hij is mijn vriend, dus is hij het niet. Als je mij kent, ken je me steeds slechter als je mijn vriend bent begin je het steeds minder te zijn. Ik ben een gecompliceerd mens. Je moet mij niet te vriend willen hebben.
C: Je vrienden kies je.
A: Je kiest helemaal niets. Je pap ’s ochtends, dat kies je!
C: O ja? En als het op is, dan valt er niet zo veel meer te kiezen.
A: Toch hou je de keuze. Maar dan moet je wachten.
C: Hoe lang wacht je al?
A: De boom is groter geworden.

C: Zolang wacht je?
A: Langer nog.
C: De boom is groter dan jij, langer is dus korter in jouw geval.
A: Wat maakt het uit?
C: Het verschil tussen leven en dood.
A: Dood ben ik toch al.

 

Stilte.

 

A: Ik wacht niet meer. Ik heb gevonden.
B: JA? NA AL DIE TIJD?
A: O nee, toch niet.
B: O..
A: Toch wil ik leven.
B: Waarom? Er is niets. Een vogel wil je zijn, maar een vogel ben je niet. De wereld is om je heen maar je aanbidt het niet. Wat is er nog voor jou?
A: Ik wacht dus ik wacht en als ik wacht zal ik vinden. Maar ik heb niet gevonden zolang ik wacht.  Ik wacht, niet lang. Ik wil niet langer. Ik ga.
(A loopt weg)

C: Ik wacht.
B: Was jij niet diegene die gestopt was met wachten en begon te leven?
C: Leven is meervoud en ik ben alleen. Dus wacht ik. Smacht ik.
B: Ik begrijp er niets meer van.
C: Wachten? Het is niet zo lastig.
B: Het waarom? Waarom leven we, waarom ging hij weg, waarom zit jij hier?
C: Ik ben de hij die hij had willen zijn, maar niet durfde te zien. Mij zien opende zijn ogen en toen kwamen de tranen. Dichte ogen kunnen niet tranen, maar tranen vloeien en tranen helen. Tranen zijn in beweging en maken het wachten onmogelijk.
B: Jij huilt niet.
C: Mijn ogen zijn dicht.
B: Ze zijn open.
C: Ja, maar wat zie ik? Niets.
B: En dus wacht je.
C: Ja ik wacht.
B: Je wacht.
(C doet zijn ogen dicht)
C: Nu zal ik nooit meer huilen
(C sterft)

 

 

 

A komt terug gaat zitten

A: Ik wacht
B: Beviel het leven niet?
A: Ik ben nooit weggeweest.
B: Je was weg.
A: Ik ben hier.
B: Dat maakt je weg zijn niet minder weg.
A: Ik wacht en ik zal vinden.
B: En ik wacht mee. Leven is, tenslotte, meervoud.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gepost door: affection | maart 20, 2008

draft 2. passion.

Twee.

 

“Kun je me even helpen met mijn wiskunde?” Een zachte, vrouwelijke stem doorbrak mijn concentratie, haalde me uit mijn wiskundesom en lichtelijk geirriteerd draaide ik me om. Het was een tussenuur en het studieplein was verder leeg. De muren ademden een muffe sfeer. Het meisje keek me vriendelijk aan, en even was ik met stomheid geslagen. Het was haar. Het was haar die ik een aantal weken geleden zo verkeerd had aangesproken en zij die me nu klaarblijkelijk vergeten was. Opgelucht haalde ik adem. Ik had een tweede kans, ze kende me niet meer. “Natuurlijk kan ik je helpen!” Ze fronste haar wenkbrauwen na mijn overenthousiaste reactie en spontaan speelde er een glimlach rond haar mond. “Mooi”, verzuchtte ze. “Ik snap er namelijk niets meer van.”

 

Het tussenuur vloog voorbij en vol enthousiasme legde ik haar uit hoe alles werkte. Logaritmen, afgeleiden en formule’s tolden door mijn hoofd en vragen waarvan ik het antwoord nooit had vermoedt, leken opeens zo simpel door de adrenaline die door mijn lijf gierde. Af en toe kwam ik iets te dichtbij terwijl ik een punt aanwees in het boek en dan rook ik haar haren. Ze roken heerlijk. Ik vergat de wereld om me heen en mijn eigen wiskundeboeken lagen een meter verder te verstoffen. Voorbijgangers hoorde ik niet en als in een soort trance was ik met haar wiskunde bezig. Een halfuur lang voelde ik geen blauwe plekken, was ik niet meer onzeker en leefde ik op een wolk. Opeens was het afgelopen en klonk de onvermijdelijke bel die net iets te lang aanhield. Een massa mensen kwam in lokalen in beweging en stormden de gang op, alwaar ze vervolgens rustig aan deden. De rustige sfeer was doorbroken en de muffe lucht werd nu vervuild door rokers, door naar parfum ruikende mensen en door stinkende sloebers. Ze pakte haar tas, zei gedag en liep op een manier die kenmerkend voor haar was weg. Alsof ze op balletschoenen liep. Toen draaide ze zich om.

“Hoe heet je eigenlijk?”

“Alex. Jij?”

“Michelle.” Ze dacht even na. “Ik zie jou ’s middags ook altijd hier zitten. Ben je er vanmiddag ook?”
“Ja, ik ben er elke dag.”
“Kun je me vanmiddag dan nog even helpen?”
“Jahoor.”
“Mooi, zie ik je vanmiddag.”

 

Zie ik je vanmiddag…De zin maalde door mijn hoofd als een liedje, dat maar niet weg wilt gaan. Ik, die normaal gesproken zo serieus met school bezig was, haalde me zelfs de woede van mijn Frans docent op de hals, nadat ik naar buiten zat te staren. ‘Waar ben je met je gedachten jongen’, had ze uitgeroepen alvorens mij vermanend toe te spreken. ‘Ik ben een beetje moe’, antwoordde ik snel. Hoofdschuddend zag ik hoe zij zich weer op het nakijkwerk richtte, maar niet voordat ik opving dat ze sprak over ‘schandelijke bedtijden’ en ‘de jeugd van tegenwoordig.’ Een grijns vormde rond mijn mond. Ik moest nog een aantal uren voordat ik haar weer zag. Jij, als lezer, wacht nu waarschijnlijk op het moment dat ik ga vertellen dat de tijd voorbijvloog door mijn gedachten aan haar, maar niets was minder waar. Ik betrapte mezelf erop dat ik om de vijf minuten op mijn horloge keek en neurotisch tikkend, de les overleefde. Zelfs de pauze duurde iets te lang. Natuurlijk zag ik haar wel staan en ik weet ook zeker dat zij mij heeft gezien, maar het ontbeerde me aan het lef om op haar af te stappen en gedag te zeggen. Dat kwam vanmiddag dan wel, hield ik mezelf voor.

 

Ook na de pauze bleef ik als in een trance de lessen volgen. Fysiek was ik dan wel onderdeel van de klas, maar geestelijk zat ik op een heel ander niveau. De zevende hemel, als je het zo zou willen noemen. Boeddhisten zouden het verlichting noemen, een staat van nirvana. Gelukkig is Jurgen geen boeddhist. Hij zette me net op tijd weer met beide benen op de grond. ‘Wat heb jij vandaag man? Je gedraagt je als een wijf. Zit maar voor je uit te staren en te dagdromen. Of zit je nog te denken aan die voetbalwedstrijd gisteren op televisie? Wat was die slecht hé!’ Jurgen schudde zijn hoofd meewarig. Ik knikte een beetje met hem mee en besefte dat ik niet tot het einde van de dag in mijn droomwereldje kon vertoeven.

  

Toen de bel van het laatste uur ging sprong ik op als een jonge hond die net zijn voederbak gevuld ziet worden en met ongekende krachten smeet ik mijn boeken in de tas. Ik groette Jurgen nog even en zette koers richting het studieplein, hem onverschillig achterlatend. Kut, ze was er nog niet. Nouja, dan zelf nog maar even verder werken. Hoewel ik mijn wiskundeboeken wel opendeed zag ik de getallen niet. Ik las de theorie, maar nam hem niet op in mijn gedachten. Ik schreef in mijn schrift, deed alsof ik druk bezig was, maar was tegelijkertijd alleen maar bezig met haar. Er ontstond een achtbaan in mijn hoofd, waar mijn gedachten constant van links naar rechts en van onder naar boven werden geslingerd. Af en toe vlogen mijn gedachten aan haar even uit de bocht, maar met wat moeite wist ik ze toch constant in goede banen te leiden. Net toen ik misselijk werd van het rondjes draaien in de achtbaan, zag ik haar aan komen lopen.

 

Anderhalf uur lang verveelde ik haar met alles wat ik wist. Ze nam alles gretig op en hoewel ik liever met haar over andere dingen praatte, maakte haar blik af en toe zoveel goed. Wanneer ik stuntelend iets probeerde uit te leggen in mijn eigen woorden, zat zij alleen maar naar mij te kijken. Af en toe vormde er een klein lachje in haar gezicht. Af en toe kwamen er diepe kuiltjes in haar wangen en kon ik amper verder praten, werd mijn adem afgesneden en kon ik alleen maar verdrinken in haar ogen. Ik hield van haar fronsende gezicht als ze iets niet begreep en vooral haar begrijpende blik als ze dacht dat ze iets snapte. Ik had haar ter plekke willen zoenen, maar had natuurlijk het lef er niet voor. Het was ook niet het juiste moment geweest.

 

“Alex, ik moet gaan.” Gedecideerd sloeg ze haar wiskundeboek dicht. Ze keek op. “Het was gezellig”, zei ze. Ik knikte. “Ja, het was gezellig.”

“Zie ik je snel weer?”

“Ik hoop het.”

“Ik ook.”

Ik wenste haar nog succes met haar wiskunde en ze stond op en liep weg. Dromerig bleef ik achter en ik probeerde alles wat ik tegen haar had gezegd, nog een keer terug te beleven. Mijn gedachten gingen terug naar het gesprek, naar wat ik zei, naar wat ik had moeten zeggen en vooral hoe het allemaal had kunnen lopen. In mijn dromen was ze spontaan opgestaan, had ze gezegd hoeveel ze wel niet van me hield en hadden we zoenend geëindigd, daar op dat studieplein. Maargoed, dat is maar een droom. Dit was ook mooi. Het was een begin.


Gepost door: affection | februari 26, 2008

draft.1. Casanova had lucia

Één.

Vanuit mijn ooghoek zag ik haar aan komen lopen met die soepele tred. Lichtvoetig raakte ze de stenen aan, alsof ze bang was ze te beschadigen. Haar sneakers kleurden niet goed met de jeans waarin ze rondliep en ook het rode shirtje dat ze droeg vormde een enigszins vreemd contrast met de rest van haar kledij. Het gaf niet. Mijn ogen gleden langzaam omhoog, naar haar gezicht. Een smal, maar volmaakt gezicht, met wat kleine puistjes. Het maakte haar niet lelijker, nee het vervolmaakte haar. Twee pareltjes lagen in haar gezicht verborgen en het was niet moeilijk om te verdrinken in haar blik. Het sluikse haar viel onopvallend langs haar gezicht, maar gaf het meisje net dat beetje wat ze nodig had. Haar neus stak een beetje uit en paste niet bij de rest van het gezicht, maar dat gaf niet. Imperfecte perfectie.

 

Natuurlijk durfde ik haar niet aan te spreken. Met enige moeite hield ik mijn kaken op elkaar geklemd, om maar niet in het o zó hatelijke aangapen te vervallen. Mijn hart ging tekeer als een junk die net zijn shot kreeg en alles wat ik kon doen was staren. De twee pareltjes keken mijn kant op. Nog voordat ik weg kon kijken en het oogcontact op toeval kon laten berusten hoorde ik haar stem al de stilte in de ijle lucht doorbreken. ‘Is er iets?’ vroeg het imperfecte perfecte meisje.

Ik had natuurlijk nooit zo moeten antwoorden, realiseerde ik mij later toen zij zich woedend omdraaide en wegbeende naar haar andere vrienden. Zelf stond ik een beetje verward op en met mijn schoudertas aan mijn hand sjokte ik moedeloos verder. Een stukje verder ging ik op een vervallen bankje zitten en analyseerde ik wat er was gebeurd.

 

Mensen die mij kennen zeggen wel eens dat ik het hart op de tong heb liggen. Het is waar. Soms, in bepaalde situaties, flap ik er meteen uit wat ik denk. Mijn hersenen hebben de vreemde neigingen om juist op de verkeerde momenten gedachten en uitspraken door elkaar te mixen. Natuurlijk, ik vond haar een lekker wijf, maar ergens had ik graag controle over de situatie gehouden. Haar klap kwam hard aan, maar was terecht. Ik had mijn gedachten omgezet in woorden om daarna geschrokken achteruit te deinzen. Zoveel brutaliteit had ik zelfs van mezelf niet verwacht. Zij schrok klaarblijkelijk ook en sloeg met een ongekende agressiviteit met haar mooie, platte hand in mijn gezicht. Ik kon het haar niet kwalijk nemen. Nee, ik werd alleen nog maar meer verliefd op haar. Temperament. Kracht. Zij had het allemaal. Een zucht kon ik niet onderdrukken. Ik had haar naam moeten vragen. De regen deed me even helemaal niets.

 

Vanaf dat moment had ik geen moment gedacht een tweede kans te krijgen. De regen leek mijn herinnering aan haar te hebben uitgewist en de weken daarna deed ik wat ik altijd al had gedaan.

 

Ik heb het altijd goed met iedereen kunnen vinden. Mijn vriendenkring was groot, maar kende weinig diepgang. Praten deed ik veel, maar zeggen deed ik weinig. Van mijn vrienden wist ik niet zoveel; ja, dat ze het Nederlandse weer haatten of dat school wel erg zwaar was. Het zijn niet de dingen die ik wil weten. Ik heb altijd geprobeerd om meer echte gesprekken met mensen te voeren. En daar ligt mijn zwakte. Vroeger liet ik teveel van mezelf zien, mensen wisten in een oogopslag alles van mijn gevoelens. Ze maakten er misbruik van. Hoe dichterbij ze bij mij kwamen, hoe minder interessant ik voor ze was. Ik trok er lering uit. Langzaam maar zeker werd er een muur opgebouwd, een muur van bakstenen met een hoop cement ertussen. Het cement werd hard. De muur was sterk. Soms sloeg iemand een klein stukje uit de muur en was er even een glimp van mij op te vangen. Het duurde nooit lang. Mijn ziel bleef cement aanvoeren en mijn verstand legde de bakstenen erop. Het gaf een gevoel van macht. Totdat ik haar langs zag lopen. Mensen zeggen wel eens dat er zoiets bestaat als liefde op het eerste gezicht. Ik geloof daar niet in. Het was haar uitstraling die het hem deed. Vanaf het moment dat ik haar zag was ik de verliefdheid voorbij, het was pure liefde.

 

Pure liefde wat iets wat ik in die periode zocht, maar thuis zeker niet kon vinden. Mijn vader zat in de knoop met zichzelf en verloor zo ongeveer het enige wat hij nog had; zelfrespect. Hij verachtte zichzelf, verachtte de hele wereld en verwaarloosde zo ons gezin. Het was een potige vent, die diepe groeven in zijn gezicht had. Zijn gezicht zag er verbitterd uit en hoewel hij pas midden veertig was, leek hij veel ouder. Hij had problemen in zijn jeugd gehad en leek deze problemen nu te projecteren op ons gezin. Mijn vader was geworden wat hij zelf zo verachtte. De gezelligheid in het gezin hing af van zijn humeur. Als deze goed was, viel er nog aardig te leven. Sloeg zijn bui echter om, dan hing er een zwarte wolk boven het gezin. De spanning was om te snijden en elk woord leek dan teveel gezegd. Ieder vluchtte naar zijn eigen kamer, zocht zijn toevlucht op de computer of in boeken en leefde totaal langs elkaar heen. De buien werden steeds regelmatiger en op den duur sprak niemand meer met elkaar. Er heerste één groot stilzwijgen.

Ik zag mijn moeder eronder lijden. De eens zo levenslustige vrouw, liep nu vermoeid door het huis rond en probeerde het huishouden nog enigszins te bolwerken. Haar eens zo knappe gezicht was nu doorspekt met verdriet en praten deed ze allang niet meer. Ze leefde op de automatische piloot. Stipt zes uur was het eten opgediend en precies om acht uur stond de koffie klaar. Iedereen dronk koffie, maar er werd niets gezegd. Papa beheerste ons leven.

 

Een hele tijd zocht ik mijn heil in de boeken. Ik las veel. Ik las over Israël, over familie verdriet, ik las over van alles en nog wat. De boeken deden mij verdrinken in een wereld waar ik geen weet van had. Het verdriet in de boeken deed me mijn verdriet vergeten. Het zorgde voor een schijnwereld, waar ik me steeds vaker in terugtrok. Dat was ook wel nodig, want mijn vader begon steeds meer mijn leven te beheersen. Waar hij eerst nog alleen op de benedenverdieping heerste als een tiran begon hij ook te pas en te onpas mijn kamer binnen te vallen en in zijn bui van razernij sloeg hij me bont en blauw. Voor hem luchtte het op. Bij mij kraste het, krast het nog steeds in het diepste van mijn ziel. Zelfs in mijn eigen kamer was ik niet meer veilig. Zijn buien van razernij werden steeds heftiger. Hij was ontslagen op zijn werk en leefde nu de hele dag door in huis. Hij moest zijn energie kwijt. Mijn moeder probeerde hem te weerstaan, maar wist na een paar dagen al dat het zinloos was. Zijn handen hadden haar dat pijnlijk duidelijk gemaakt. Ook ik werd steeds vaker het slachtoffer van zijn geweld. Als enigs kind moest hij op iemand zijn woede botvieren. Ik had pijn, maar had ook medelijden met hem. Hij snikte van verdriet als hij me sloeg en wilde het niet, maar het leek alsof een duivels iets bezit van zijn lichaam had genomen. Hij móest wel. Het hechte gezin dat we ooit waren viel uiteen.

 

’s Nachts probeerde ik mijn huiswerk te maken, als hij sliep. Alleen dan was ik even alleen en alleen dan kon ik doen en laten wat ik wilde. Ik had geluk dat ik op zolder sliep en hij een vaste slaper was. Ik leefde in de nacht. Overdag waren de blauwe plekken. Overdag was hij overal. Overdag, was een hel.

Toen sloeg hij me weer. Het was zoals op alle andere dagen en hij stormde mijn kamer binnen. Ik riep ‘nee!’ maar het was al te laat. Zijn grote vuisten raakten mij overal. Snikkend bleef ik achter in een hoekje van mijn kamer. Ik had pijn in mijn hele lichaam. Mijn hersenen draaiden overuren. ‘Ik moet hier weg, het is hier niet meer goed.’ Op de één of andere manier wist ik mij door middel van de adrenaline die door mijn aderen pompte omhoog te werken en ik strompelde het huis uit. De straat was nog nooit zo lang. Ik voelde me alsof ik geen stap meer kon zetten, maar de gedachte aan mijn vader stuwde mijn benen automatisch voort. Amper 300 meter verder bereikte ik het park. Mijn hoofd was beginnen te bloeden, door de klappen die hij had uitgedeeld. Ik zeeg neer op een bankje. Voor mijn gevoel zat ik daar uren, maar dat bleek niet zo te zijn. Ik had geen gedachten en zat in een soort trance, waar je zelfs geen pijn meer kent. Het bloed kwam op mijn kleren terecht, ik liet het gaan. Totdat er iemand op mijn schouder tikte.

  

Een klein jongetje sprak me aan. Je kent het wel, zo’n jongetje die een veel te grote lolly vasthoudt en deze aan zijn kleren afsmeert. Zo’n jongetje met een iets te grote bek en een pet die hij achterstevoren heeft opgezet. Zo’n jongetje dat je wel kunt slaan, maar ook wel iets vertederends heeft. “Wat zit jij hier nou zielig te doen”, sprak het mormel. Toen zag hij het bloed. “O joow, jij bloedt!” Opeens was ik veranderd van zielig hoopje tot stoere jongen die een hoop had meegemaakt. “Hoe kom je daaraan?” Ik zei dat ik was gevallen. Het jongetje, amper 8 jaar oud, begon een verhaal over die keer toen hij was gevallen van de skatebaan en hij een bloedlip had. Pijn dat het had gedaan! Hij trok een grimas alsof hij het net weer had meegemaakt. Ik vroeg hoe hij met die val was omgegaan. “Nou”, luidde zijn antwoord,”de keer erna had ik bescherming om.” Op dat moment kwam zijn moeder aanlopen. Een grote kopie van het kind. Het was een arrogante Haagse sjonnie die zichzelf heel wat vond. “Harry, kom eens hier! We moeten weg.” Het kind zei me nog gedag, maar ik reageerde niet echt.

 

Nadat hij weg was begon ik boos op mezelf te worden. Het jongetje had me in een paar minuten meer geleerd dan ik mezelf had geleerd in al die jaren. Hij had gelijk. Als je valt moet je bescherming gaan dragen. Ik moest bescherming gaan dragen tegen mijn vader. Ik, als 16-jarige jongen, wist wel dat uit huis weggaan niet de oplossing was. Nee, ik moest in huis de oplossing zoeken. Ik besloot mijn vader zoveel mogelijk te ontlopen. Het bleek één van de betere beslissingen die ik had gedaan.

Het ontlopen van mijn vader behelste veel aspecten. Ten eerste zou ik zo vaak mogelijk buiten zijn, in het park mijn huiswerk makend of voetballend met mijn vrienden. Mijn thuis bestond uit een bed en drie maal daags een maaltijd. Mijn vader sloeg me nog steeds wel, maar ik was minder thuis en dus had hij minder de kans om te slaan. En als hij me sloeg koppelde ik mijn gedachten los van mijn fysiek. Ik werd er steeds beter in, de pijn voelde ik steeds minder. Een ander aspect van het ontlopen van mijn vader was op school. Ik bleef steeds langer op school en steeds vaker. Na verloop van tijd was ik bijna onderdeel van het meubilair. En daar op school, is waar het allemaal begon.

 

Gepost door: affection | januari 30, 2008

element

trillingen stijgen op,
een kakofonie van geluid,
de grond trilt,
de aarde beeft.

steeds grotere woorden,
maar steeds kleinere daden,
met elke pas vooruit,
snelt het drie passen terug.

de aarde beeft,
boem, boem, boem
een kleurensilhouet van lucht,
wordt ingeademd door het gras.

en wel verlangen,
maar geen toekomst en geen tijd,
doldriest, dwaas en onnozel,
de grenzen van het onmogelijke wel verkend,
maar niet betreedt.

Gepost door: affection | januari 11, 2008

Transition

Tien over half elf vrijdagavond. Een toetsenbord, tien vingers die er vluchtig en lichtvoetig op dansen en een computerscherm dat onvermoeibaar fel licht de kamer in blijft schieten. Vijf dagen school zijn weer achter de rug, vijf dagen vol stress, maar ook vol met plezier, liefde en een verjaardag.

Ik zit nu vijf jaar op de middelbare en als het goed is moet ik nog anderhalf jaar. Ik heb nieuwe indrukken gekregen, ben rijker geworden als persoon, heb hopelijk vrienden voor het leven gemaakt en ervaringen gedeeld met mensen die ik liefheb. Gezeurd heb ik ook, geschopt tegen bepaalde situaties, ruzie gemaakt met mensen waar ik geen ruzie mee moet maken en cijfers gehaald die je niet zou moeten halen. Maar over het algemeen slaat de balans ver de goede kant op door de vriendschappen die zijn ontstaan. Tot noch toe is het fijn.

Waarom typ je deze log vol met clichés, open deuren en zinnen die je moet zeggen als je zestig bent of toch op zijn minst als je net je diploma hebt gehaald, zul je je afvragen. Daar is een hele simpele reden voor. Vanaf nu ben ik zestien en zal alles anders zijn. Zal ik moeten bikkelen voor mijn goede schoolresultaten en zal ik moeten vechten voor mijn plekje in de keiharde hiërarchie van het schoolleven. (haha oké dat laatste sloeg nergens op). Want ook Tim is tot inkeer gekomen en heeft geleerd dat zelfs de grootste luilakken af en toe werk moeten verrichten.

En zo met het weekend voor de deur is dat een goede gedachte om mee af te sluiten en dan kan ik morgen met een fijn gevoel mijn verjaardag vieren. Les jeux sont faits. Nu jullie nog. 

Gepost door: affection | januari 5, 2008

jij bent het zwart het wit, het leven en de dood,

het licht of donker, de rijkdom of de goot

jij sleept me en sleurt me, van liefde naar verdriet,

je doet me pijn verbind mijn wonden, maar je beseft dat zelf nog niet

laat me alleen, kom bij me, ga niet weg, blijf aan mijn zij,

jij bent het kaartje, de snelle doorgang, maar ook die lange rij.

wees duidelijk, wees lief, wees scherp, blijf charmant,

gooi me van het rotsblok, maar strek me dan je hand

je bent mijn drug, mijn kater, het feestje en de pijn,

zeg wat ik wil horen, terwijl je jezelf probeert te zijn

pak aan, laat los, stoot af en trek aan,

ik wil niet met je, maar ik kan niet zonder je bestaan

Oudere Berichten »

Categorieën