Twee.
“Kun je me even helpen met mijn wiskunde?” Een zachte, vrouwelijke stem doorbrak mijn concentratie, haalde me uit mijn wiskundesom en lichtelijk geirriteerd draaide ik me om. Het was een tussenuur en het studieplein was verder leeg. De muren ademden een muffe sfeer. Het meisje keek me vriendelijk aan, en even was ik met stomheid geslagen. Het was haar. Het was haar die ik een aantal weken geleden zo verkeerd had aangesproken en zij die me nu klaarblijkelijk vergeten was. Opgelucht haalde ik adem. Ik had een tweede kans, ze kende me niet meer. “Natuurlijk kan ik je helpen!” Ze fronste haar wenkbrauwen na mijn overenthousiaste reactie en spontaan speelde er een glimlach rond haar mond. “Mooi”, verzuchtte ze. “Ik snap er namelijk niets meer van.”
Het tussenuur vloog voorbij en vol enthousiasme legde ik haar uit hoe alles werkte. Logaritmen, afgeleiden en formule’s tolden door mijn hoofd en vragen waarvan ik het antwoord nooit had vermoedt, leken opeens zo simpel door de adrenaline die door mijn lijf gierde. Af en toe kwam ik iets te dichtbij terwijl ik een punt aanwees in het boek en dan rook ik haar haren. Ze roken heerlijk. Ik vergat de wereld om me heen en mijn eigen wiskundeboeken lagen een meter verder te verstoffen. Voorbijgangers hoorde ik niet en als in een soort trance was ik met haar wiskunde bezig. Een halfuur lang voelde ik geen blauwe plekken, was ik niet meer onzeker en leefde ik op een wolk. Opeens was het afgelopen en klonk de onvermijdelijke bel die net iets te lang aanhield. Een massa mensen kwam in lokalen in beweging en stormden de gang op, alwaar ze vervolgens rustig aan deden. De rustige sfeer was doorbroken en de muffe lucht werd nu vervuild door rokers, door naar parfum ruikende mensen en door stinkende sloebers. Ze pakte haar tas, zei gedag en liep op een manier die kenmerkend voor haar was weg. Alsof ze op balletschoenen liep. Toen draaide ze zich om.
“Hoe heet je eigenlijk?”
“Alex. Jij?”
“Michelle.” Ze dacht even na. “Ik zie jou ’s middags ook altijd hier zitten. Ben je er vanmiddag ook?”
“Ja, ik ben er elke dag.”
“Kun je me vanmiddag dan nog even helpen?”
“Jahoor.”
“Mooi, zie ik je vanmiddag.”
Zie ik je vanmiddag…De zin maalde door mijn hoofd als een liedje, dat maar niet weg wilt gaan. Ik, die normaal gesproken zo serieus met school bezig was, haalde me zelfs de woede van mijn Frans docent op de hals, nadat ik naar buiten zat te staren. ‘Waar ben je met je gedachten jongen’, had ze uitgeroepen alvorens mij vermanend toe te spreken. ‘Ik ben een beetje moe’, antwoordde ik snel. Hoofdschuddend zag ik hoe zij zich weer op het nakijkwerk richtte, maar niet voordat ik opving dat ze sprak over ‘schandelijke bedtijden’ en ‘de jeugd van tegenwoordig.’ Een grijns vormde rond mijn mond. Ik moest nog een aantal uren voordat ik haar weer zag. Jij, als lezer, wacht nu waarschijnlijk op het moment dat ik ga vertellen dat de tijd voorbijvloog door mijn gedachten aan haar, maar niets was minder waar. Ik betrapte mezelf erop dat ik om de vijf minuten op mijn horloge keek en neurotisch tikkend, de les overleefde. Zelfs de pauze duurde iets te lang. Natuurlijk zag ik haar wel staan en ik weet ook zeker dat zij mij heeft gezien, maar het ontbeerde me aan het lef om op haar af te stappen en gedag te zeggen. Dat kwam vanmiddag dan wel, hield ik mezelf voor.
Ook na de pauze bleef ik als in een trance de lessen volgen. Fysiek was ik dan wel onderdeel van de klas, maar geestelijk zat ik op een heel ander niveau. De zevende hemel, als je het zo zou willen noemen. Boeddhisten zouden het verlichting noemen, een staat van nirvana. Gelukkig is Jurgen geen boeddhist. Hij zette me net op tijd weer met beide benen op de grond. ‘Wat heb jij vandaag man? Je gedraagt je als een wijf. Zit maar voor je uit te staren en te dagdromen. Of zit je nog te denken aan die voetbalwedstrijd gisteren op televisie? Wat was die slecht hé!’ Jurgen schudde zijn hoofd meewarig. Ik knikte een beetje met hem mee en besefte dat ik niet tot het einde van de dag in mijn droomwereldje kon vertoeven.
Toen de bel van het laatste uur ging sprong ik op als een jonge hond die net zijn voederbak gevuld ziet worden en met ongekende krachten smeet ik mijn boeken in de tas. Ik groette Jurgen nog even en zette koers richting het studieplein, hem onverschillig achterlatend. Kut, ze was er nog niet. Nouja, dan zelf nog maar even verder werken. Hoewel ik mijn wiskundeboeken wel opendeed zag ik de getallen niet. Ik las de theorie, maar nam hem niet op in mijn gedachten. Ik schreef in mijn schrift, deed alsof ik druk bezig was, maar was tegelijkertijd alleen maar bezig met haar. Er ontstond een achtbaan in mijn hoofd, waar mijn gedachten constant van links naar rechts en van onder naar boven werden geslingerd. Af en toe vlogen mijn gedachten aan haar even uit de bocht, maar met wat moeite wist ik ze toch constant in goede banen te leiden. Net toen ik misselijk werd van het rondjes draaien in de achtbaan, zag ik haar aan komen lopen.
Anderhalf uur lang verveelde ik haar met alles wat ik wist. Ze nam alles gretig op en hoewel ik liever met haar over andere dingen praatte, maakte haar blik af en toe zoveel goed. Wanneer ik stuntelend iets probeerde uit te leggen in mijn eigen woorden, zat zij alleen maar naar mij te kijken. Af en toe vormde er een klein lachje in haar gezicht. Af en toe kwamen er diepe kuiltjes in haar wangen en kon ik amper verder praten, werd mijn adem afgesneden en kon ik alleen maar verdrinken in haar ogen. Ik hield van haar fronsende gezicht als ze iets niet begreep en vooral haar begrijpende blik als ze dacht dat ze iets snapte. Ik had haar ter plekke willen zoenen, maar had natuurlijk het lef er niet voor. Het was ook niet het juiste moment geweest.
“Alex, ik moet gaan.” Gedecideerd sloeg ze haar wiskundeboek dicht. Ze keek op. “Het was gezellig”, zei ze. Ik knikte. “Ja, het was gezellig.”
“Zie ik je snel weer?”
“Ik hoop het.”
“Ik ook.”
Ik wenste haar nog succes met haar wiskunde en ze stond op en liep weg. Dromerig bleef ik achter en ik probeerde alles wat ik tegen haar had gezegd, nog een keer terug te beleven. Mijn gedachten gingen terug naar het gesprek, naar wat ik zei, naar wat ik had moeten zeggen en vooral hoe het allemaal had kunnen lopen. In mijn dromen was ze spontaan opgestaan, had ze gezegd hoeveel ze wel niet van me hield en hadden we zoenend geëindigd, daar op dat studieplein. Maargoed, dat is maar een droom. Dit was ook mooi. Het was een begin.
Okee deel 3
By: Kirsten on maart 21, 2008
at 11:51 am
Hee Tim, ben ik weer. Wanneer voeg je me weer toe? Het is maanden geleden dat je zei: ‘Binnen éen dag voeg ik je toe’. En nu is het maanden verder, en dacht ik eens: zal ik weer op zijn blog kijken? Je hebt een mooi stuk geschreven, zoals je hiervoor ook altijd deed.
Maar wanneer, voeg je me weer toe..?
Deel 3 wil ik zien! Deel 3!
By: ilse on maart 24, 2008
at 8:45 pm
Dit had ik nog noooit gelezennnn, heb je het veranderd?
By: Yasmin on april 6, 2008
at 9:33 pm