A: We wachten. Ja, we wachten. We zitten, we kijken, we ruiken, we zien, maar bovenal wachten we. Waarop zul je vragen? Het einde. Der tijden? Ach nee, als er iets oneindig is, is het wel het tijdelijke, als er iets permanent is, is het wel het relatieve. Wij wachten. En doen niets.
B: Waarom ben ik bij je?
A: Je hield van me.
B: Nu niet meer dan?
A: Lijkt me onverstandig om van mij te houden.
B: Het leven is een aaneenschakeling van foute keuzes.
A: Wij waren geen keuze.
B: Geloof jij in het noodlot dan?
A: Nee.
B: In de liefde?
A: Nee.
B: Waar in dan wel?
A: Wij wachten. En doen niets.
B: Valt daarin te geloven?
A: Het is zo.
B: Het zij zo.
A en B: Wij wachten.
(Ze zitten stil kijken naar buiten bewegen hun hoofd niet)
B: Wacht hij ook?
A: Wie?
B: Die vogel daar op die tak.
A: Is het een hij?
B: Mag ik daar van uit gaan?
A: Natuurlijk.
B: Maar wacht hij?
A: Nee, hij beweegt, ondanks zijn stilstand. Hij beweegt, hij voelt, hij leeft.
B: Wat maakt hem beter dan ons? Wij hebben meer capaciteiten. Wij kunnen communiceren! Wat is ons gebrek!
A: We denken na.
B: Dat is geen fout.
A: Maar ook geen keuze.
B: Wat wil je daar nu weer mee zeggen!
A: Ik verkies dommer te zijn dan die vogel en dus rijker. Ik verkies kleiner te zijn en dus groter. Ik verkies eerder te sterven en dus langer te leven. Maar ik ben niet. Ik denk dus ik kies niet.
B: Je slaat wartaal uit.
A: Dat denk je.
(C komt aanlopen, gaat zitten)
C: Ik leef. Ja, ik leef. Ik zit, ik kijk, ik ruik, ik zie maar bovenal leef. Waarom leef ik? Door het einde. Der tijden? Ach nee, als er iets oneindig is , is het wel het tijdelijke, als er iets permanent is, is het wel het relatieve. Ik leef. En ik doe.
A: Jij sterft.
C: Gaat het leven daar niet om?
A: Om sterven? Lijkt me vrij ironisch.
C: Ik hoorde je net, waar wacht je precies op?
B: Hij wacht (mystieke stem)
A: Ik wacht.
C: Verspilde moeite.
A: Wat weet jij daarvan? (boos)
C: Ik heb ook gewacht. Net als jij. Ik wilde kleiner zijn en groter, ik wilde levendiger zijn en dus doder ik wilde zelfs rijker zijn dus armer. Ik wilde een dier zijn en dus een beest. Maar ik werd steeds meer mezelf.
A: Ben je jezelf?
C: Gelukkig niet meer.
A: Ben ik mezelf?
C: Als je wacht wordt je het vanzelf. Wat verwacht je van het leven?
A: De dood.
B: Ja. (doet hem overdreven na). De doooood!
C: Je bent al dood.
A: Waarom merk ik het dan niet?
C: Je leeft toch niet, dat zeg je zelf. Dan ben je toch dood?
A: Hooguit in coma.
C: Ik wacht ook, maar ik leef.
B: Wachten en leven gaat niet samen. Dat zegt hij altijd (wijst naar A)
C: Wachten is leven. Wachten op de dood, wachten op jezelf, misschien zelfs wachten op Godot.
A: En elkaar dan? Wat is er gebeurd met de liefde! Met de hoop! Waarom geloof ik niet meer, wil ik een vogel zijn, wil ik niet dood, maar ook niet leven. Wat gebeurt er met me? Ben ik mezelf, ben ik een ander? Wacht ik of veracht ik. Bevrijd me. Bevrijd me.
C: Het wachten werkt beklemmend.
B: Ja en ik ben er mooi klaar mee. Wachten. Ik ga leven, de wereld in.
A: Wat wil je doen daarbuiten? Je hebt niemand behalve mij.
C: Hij omarmt het leven, is dat geen kameraadschap genoeg?
A: Een vriend die altijd groter zal zijn dan jij kunt bevatten kan geen vriend zijn. Iemand die als hij je verlaat je in de afgrond stort kan je onmogelijk een vriend noemen. Ik wacht. Ik wacht op vriendschap.
C: Aha. We zijn eruit! Dus daar wacht je op. Maar heb je hem niet al? (wijst naar B)
B: Mij vervelen met zijn praatjes? Dat noem ik geen vriendschap!
A: Hij is mijn vriend, dus is hij het niet. Als je mij kent, ken je me steeds slechter als je mijn vriend bent begin je het steeds minder te zijn. Ik ben een gecompliceerd mens. Je moet mij niet te vriend willen hebben.
C: Je vrienden kies je.
A: Je kiest helemaal niets. Je pap ’s ochtends, dat kies je!
C: O ja? En als het op is, dan valt er niet zo veel meer te kiezen.
A: Toch hou je de keuze. Maar dan moet je wachten.
C: Hoe lang wacht je al?
A: De boom is groter geworden.
C: Zolang wacht je?
A: Langer nog.
C: De boom is groter dan jij, langer is dus korter in jouw geval.
A: Wat maakt het uit?
C: Het verschil tussen leven en dood.
A: Dood ben ik toch al.
Stilte.
A: Ik wacht niet meer. Ik heb gevonden.
B: JA? NA AL DIE TIJD?
A: O nee, toch niet.
B: O..
A: Toch wil ik leven.
B: Waarom? Er is niets. Een vogel wil je zijn, maar een vogel ben je niet. De wereld is om je heen maar je aanbidt het niet. Wat is er nog voor jou?
A: Ik wacht dus ik wacht en als ik wacht zal ik vinden. Maar ik heb niet gevonden zolang ik wacht. Ik wacht, niet lang. Ik wil niet langer. Ik ga.
(A loopt weg)
C: Ik wacht.
B: Was jij niet diegene die gestopt was met wachten en begon te leven?
C: Leven is meervoud en ik ben alleen. Dus wacht ik. Smacht ik.
B: Ik begrijp er niets meer van.
C: Wachten? Het is niet zo lastig.
B: Het waarom? Waarom leven we, waarom ging hij weg, waarom zit jij hier?
C: Ik ben de hij die hij had willen zijn, maar niet durfde te zien. Mij zien opende zijn ogen en toen kwamen de tranen. Dichte ogen kunnen niet tranen, maar tranen vloeien en tranen helen. Tranen zijn in beweging en maken het wachten onmogelijk.
B: Jij huilt niet.
C: Mijn ogen zijn dicht.
B: Ze zijn open.
C: Ja, maar wat zie ik? Niets.
B: En dus wacht je.
C: Ja ik wacht.
B: Je wacht.
(C doet zijn ogen dicht)
C: Nu zal ik nooit meer huilen
(C sterft)
A komt terug gaat zitten
A: Ik wacht
B: Beviel het leven niet?
A: Ik ben nooit weggeweest.
B: Je was weg.
A: Ik ben hier.
B: Dat maakt je weg zijn niet minder weg.
A: Ik wacht en ik zal vinden.
B: En ik wacht mee. Leven is, tenslotte, meervoud.
yessss ik vind het geweldig
By: Patricia on april 6, 2008
at 9:33 pm
diep
By: Joshua on april 9, 2008
at 6:25 pm
briljant, simpelweg briljant
By: Mart on april 10, 2008
at 1:47 pm
tim. mijn allerliefste tim.
aan de ene kant snap ik helemaal, voel ik mezelf erin thuis. maar aan de andere kant heb ik geen idee wat ik ervan moet vinden, en er van voelen..
het is moeilijk denk? het leven ja.
By: fien on april 11, 2008
at 7:19 pm
Erg mooi geschreven, Tim!
By: ilse on april 12, 2008
at 11:01 pm